Als je aan kinderen verdrietig nieuws moet vertellen over de dood van iemand die ze goed kennen, doe je dat op zo’n manier dat ze het kunnen begrijpen. Dat is afhankelijk van hun leeftijd en de verstandelijke vermogens. Heel jonge kinderen gaan anders om met het begrip dood dan pubers. Om een indruk te geven van het besef dat kinderen van de dood hebben, gebruiken we hier een indeling in leeftijdsfases. Uiteraard is het besef ook afhankelijk van de ontwikkeling en de ervaring van ieder kind persoonlijk.

6 tot 9 jaar 

Bij kinderen van zes tot negen jaar begint het besef te komen dat de dood onomkeerbaar is. Maar dat de dood onvermijdelijk is en iedereen overkomt, begrijpen ze nog niet. Ze vragen: ‘Papa, kun jij dan ook doodgaan?’. Op deze leeftijd worstelen ze met het begrip definitief en wat dat werkelijk inhoudt. Dit is erg verwarrend voor hen, en maakt hen ook angstig. Die angst komt voort uit het feit dat ze beginnen te beseffen dat ook mensen van wie je houdt dood kunnen gaan. ‘Kom jij nog terug?’, vraagt een kind dat net meegemaakt heeft dat iemand doodgegaan is. Ze gedragen zich soms weer net zo als toen ze kleuter waren. Ze kunnen bang zijn om alleen gelaten te worden, klampen zich vast en huilen als je bij de schoolpoort wil vertrekken…

 
De vragen die kinderen in deze leeftijdsfase stellen, komen op volwassenen vaak over als erg nuchter. ‘Waarom heeft opa een bril op? Hij kan toch niks meer zien? Wordt die bril ook verbrand?’. Ze proberen nog steeds te begrijpen wat de betekenis is van de dood. Ze zijn erg kwetsbaar omdat ze de mogelijkheid hebben om het te begrijpen maar nog niet in staat zijn om met alle informatie om te gaan. 

9 tot 12 jaar 

Kinderen tussen negen en twaalf jaar weten dat mensen, dieren en planten leven, en dat wat leeft ook doodgaat. Als redenen voor het doodgaan noemen ze voornamelijk lichamelijk oorzaken, zoals ‘ze krijgen kanker’, ‘als mensen oud zijn’, ‘wanneer ze een hartaanval krijgen’. Soms halen ze ook minder concrete oorzaken aan, zoals ‘iedereen gaat dood’, of ‘de wereld wordt anders te vol’. De kinderen in deze leeftijdsgroep zijn minder afhankelijk van volwassenen. Ze vragen dus niet altijd aandacht voor hun verdriet, maar proberen er zelf mee rond te komen. Ze willen immers niet kinderachtig lijken. Ze vertonen soms lastig en opstandig gedrag omdat ze met hun gevoelens worstelen. Al laten ze het niet zo merken, ook op deze leeftijd hebben ze aandacht en troost nodig.

Hoe ga je hiermee om? 

"Mijn juf zegt dat pepeke een sterretje is aan de hemel. Kan ik daar dan met een raket naartoe?" 

Jan, 8 jaar (verloor zijn grootvader)

  • Probeer ‘het echte verhaal’ van het overlijden te vertellen, daar hebben kinderen recht op. Je hoeft ze dus niet te sparen van de soms harde waarheid, maar let wel op hoe en in welke situatie je dit vertelt. Best gebeurt dit op een plek die voor het kind aangenaam en vertrouwd is, liefst al spelend. Zorg voor een knuffel in de buurt, vraag het kind niet om stil te zitten…
  • Noem de dood ook ‘dood’. Kinderen verstaan geen andere termen (heengegaan, ontvallen,… is te moeilijk) en maak ook duidelijk wat dood betekent. Verwerking kan niet beginnen vooraleer het besef is doorgedrongen dat wie dood is echt niet meer terugkomt. We kunnen wel nog veel denken aan wie dood is, en zo zijn ze toch nog dicht bij ons.
  • In verband met ‘waar’ de overledene nu is: een kind heeft hier altijd zelf een beeld van, en best is hieraan niets op te dringen. Een kind kiest een beeld uit waar het zich zelf goed bij voelt. Probeer dit niet te sturen, welke visie je zelf ook hebt. Bijvoorbeeld: ‘opa is nu een sterretje geworden’. Dit beeld kan werken, maar het kan een kind ook net heel bang maken (opa helemaal alleen in de donkere lucht). Niets opdringen is dus de boodschap, laat je kind dit zelf invullen.
  • Denk niet dat je kinderen overstuur maakt door ze te betrekken bij het gebeuren. Best creëer je een open sfeer. Erbij mogen zijn is net heel belangrijk omdat het eventuele angst kan wegnemen. Het ‘niet weten’ of eigen vragen niet mogen stellen, kan een kind heel bang maken.
  • Volg steeds het ritme van het kind. Dring het ‘spreken erover’ niet op wanneer iemand er niet klaar voor is. 
  • Reageer altijd op vragen van je kind. Als ouder of begeleider heb je geen alles verklarende uitleg. Bij gesprekken vertrek je best vanuit de vragen van het kind zelf. Zo ben je bezig met wat voor hen op dat moment belangrijk is. Probeer ook zo eerlijk mogelijk te antwoorden. Soms moet je erbij zeggen dat je het ook niet weet, kinderen aanvaarden dat. Eventueel kan je vragen: ‘waar denk jij dat… nu is?’ of ‘wat denk jij dat er precies gebeurd is?’. Heel vaak komt er een antwoord waarbij het kind zelf zich goed voelt, dus respecteer dit.
  • Als kinderen vragen stellen over het dode lichaam (bijvoorbeeld naar aanleiding van het groeten) vertel je best zo concreet mogelijk wat je gezien hebt: hoe zag het gezicht eruit, hoe lagen de handen, ligt hij/zij op een bed of iets anders, de ogen zijn gesloten, het hele lichaam ziet er wat blauw uit…
  • Wees voorbereid op eventuele uitbarstingen. Het is nodig dat een kind eens boos mag zijn. Zoek een plek waar het kind zijn boosheid ook mag uiten. Bied mogelijkheden aan om hiermee om te gaan: ‘Als je boos bent, kan je dit doen, of dat,…’ of ‘Wat denk jij dat je best kan doen als je boos bent?’ (boosheid heeft actie nodig!).
  • Verdriet delen is tweerichtingsverkeer. Je mag dus als ouder wel verdriet tonen, want dan leert het kind dat het ook verdriet mag tonen/hebben. Pas wel op dat ‘delen’ niet gaat neigen naar ‘belasten’. Leg je eigen verdriet niet bij het kind.

"Waarom mag ik niet mee in de rij staan bij de kist? Het was toch ook mijn papi?"

Robbe, 10 jaar (verloor zijn grootvader)

banner